De laptop is geen reddingsboei - Opinie in De Standaard, 16 oktober.
*Dit is een langere versie van het opiniestuk dat is verschenen op 16 oktober, in DS.
Over laptops, aandacht en digitale geletterdheid in het onderwijs
Het probleem met de discussie over laptops in de klas is dat ze telkens opnieuw wordt gevoerd alsof er maar twee posities mogelijk zijn: technologie omarmen of de digitale toekomst ontkennen. Ook het debat naar aanleiding van de uitspraken van minister Demir belandt snel in die tegenstelling. Wie twijfelt aan de laptop, steekt zijn kop in het zand. Wie leerlingen wil voorbereiden op de toekomst, geeft hen er een.
Dat verband is een stuk minder vanzelfsprekend dan het lijkt.
Niemand hoeft te ontkennen dat digitale geletterdheid belangrijk is. De vraag is alleen of een persoonlijk toestel voor elke leerling daarvoor het vanzelfsprekende pedagogische middel is. Een laptop is infrastructuur. Digitale geletterdheid is een competentie. Het ene uitdelen veroorzaakt het andere niet.
En daar botst het theoretische debat snel op de alledaagse werkelijkheid. Binnen KidsUnplugged horen we getuigenissen van leerkrachten en ouders over leerlingen die tijdens studie-uren en lessen gamen, shorts of Netflix kijken, accounts aanmaken, goksites bezoeken of simpelweg verdwalen in wat hun toestel allemaal aanbiedt. Ook thuis verschuift werk naar ouders: accounts beheren, schermgebruik opvolgen en telkens opnieuw afspraken maken. Dat zijn getuigenissen, geen representatieve studie. Maar ze maken wel een structurele eigenschap van het toestel zichtbaar: de laptop waarop een leerling geacht wordt zich te concentreren, is tegelijk een toegangspoort tot zowat alles wat interessanter kan zijn.
Dat probleem van verdeelde aandacht is wel degelijk onderzocht. In een experimentele studie van Faria Sana, Tina Weston en Nicholas Cepeda scoorden studenten die tijdens een college op hun laptop multitaskten lager op een daaropvolgende test. Ook studenten die rechtstreeks zicht hadden op een multitaskende medestudent scoorden lager dan studenten die die afleiding niet zagen.[1]
Jared Cooney Horvath trekt de vraag breder. In zijn synthese van onderzoek naar onderwijstechnologie vergelijkt hij de effecten van één-op-één-toestelprogramma's met andere onderwijsinterventies. Zijn provocerende conclusie is niet dat iedere computer uit de school moet verdwijnen, wel dat de belofte dat meer EdTech vanzelf tot beter leren leidt onvoldoende door het onderzoek wordt gedragen. UNESCO formuleert het voorzichtiger, maar in dezelfde richting: robuust bewijs voor de toegevoegde waarde van digitale technologie in onderwijs blijft beperkt en technologie hoort ingezet te worden vanuit leerdoelen, niet vanuit de beschikbaarheid van het toestel zelf.[2]
Ook PISA 2022 maakt de spanning concreet. Volgens de OECD meldde 59 procent van de leerlingen in deelnemende OECD-landen dat hun aandacht in minstens sommige wiskundelessen werd afgeleid door andere leerlingen die telefoons, tablets of laptops gebruikten. Dezelfde analyse benadrukt tegelijk dat digitale toegang essentieel kan zijn.
En de meest recente PISA resultaten van 2025 toonden een gigantisch neerwaartse tuimeling van resultaten aan voor wiskunde en moedertaal in de laatste tien jaar. Dit valt ook samen met de massale intrede van laptops en smartphones in het leven van jongeren. De OESO wijst zelf op het overmatig en foutief ingezet schermgebruik als één van de waarschijnlijke oorzaken.
De relevante vraag is dus niet digitaal of analoog, maar welk gebruik het leren ondersteunt en welk gebruik het verdringt.[3]
Een school koopt bovendien niet gewoon laptops. Ze stapt binnen in een ecosysteem van cloudopslag, software, accounts en EdTech: leerplatformen, digitale oefeningen, evaluatiesoftware en inmiddels ook AI-toepassingen.
Daarmee ontstaat een tweede laag in het debat. Privacy First waarschuwt voor vendor lock-in: scholen en universiteiten kunnen na verloop van tijd moeilijk van provider wisselen door technische beperkingen en hoge kosten. De organisatie koppelt die afhankelijkheid aan publieke waarden zoals transparantie, privacy, zelfbeschikking en de professionele autonomie van docenten en instellingen. In Vlaanderen is die problematiek intussen ook zeer concreet. Het Kenniscentrum Digisprong publiceerde in 2026 samen met onderwijsverstrekkers, koepels en Digitaal Vlaanderen contractuele vereisten rond informatieveiligheid en privacy voor EdTech.[4]
Recent onderzoek naar educational digital sovereignty beschrijft hetzelfde probleem op een breder niveau. Enrique-Javier Díez-Gutiérrez wijst op technologische afhankelijkheid, data-extractie, surveillance en algoritmisch bestuur en schuift publieke digitale infrastructuur, open-source-technologie, democratisch databeheer en participatie naar voren als mogelijke tegengewichten. Dat klinkt abstracter dan het in de klas is. Digitale systemen bevatten keuzes over hoe kennis wordt aangeboden, geordend en geëvalueerd. Wanneer lessen zich steeds meer organiseren rond vooraf gemaakte modules, keuzemenu's, invuloefeningen en automatische evaluaties, is technologie niet louter een hulpmiddel meer. Ze helpt ook de vorm ervan bepalen.[5]
De privacykwestie maakt duidelijk dat dit geen louter theoretisch bezwaar is. Human Rights Watch onderzocht 163 EdTech-producten die tijdens de coronapandemie door 49 overheden voor online onderwijs waren aanbevolen. Van die 163 producten bleken er 145, of 89 procent, kinderen te surveilleren of technisch in staat te zijn dat te doen, ook buiten schooltijd. Dat onderzoek betrof de uitzonderlijke context van de pandemie en kan niet zomaar op elk huidig schoolplatform worden geprojecteerd. Het toont wel waarom digitale infrastructuur in onderwijs niet als een neutrale technische laag behandeld kan worden.[6]
De conclusie hoeft daarom niet te zijn dat technologie uit het onderwijs moet verdwijnen. Wel dat we veel preciezer moeten vragen welke technologie een school nodig heeft, wanneer ze die inzet en onder welke voorwaarden.
Ook het argument dat leerlingen thuis een persoonlijke laptop nodig hebben om zich op de digitale wereld voor te bereiden verdient meer argwaan. Het verwart beschikbaarheid met beheersing. Digitale geletterdheid betekent leren zoeken en selecteren, bronnen controleren, sociale media begrijpen, AI kritisch gebruiken en weten hoe platformen met gegevens en aandacht omgaan. Daarvoor zijn computers nodig. Dat betekent nog niet dat een computer tijdens iedere les permanent tussen leerling en leraar moet staan.
In dat opzicht is de computerklas misschien minder absurd dan ze tegenwoordig klinkt. Een gedeelde infrastructuur kan technologie opnieuw tot een gericht pedagogisch instrument maken: beschikbaar wanneer ze nodig is en afwezig wanneer een boek, papier, tekenen, hoofdrekenen, een experiment of een gesprek beter werkt. UNESCO stelt eveneens dat digitale technologie menselijke interactie in onderwijs moet ondersteunen in plaats van vervangen.[7]
Daar ligt ook een concrete opdracht voor scholen. Digitale en AI-geletterdheid kunnen expliciet onderwezen worden, eventueel in een eigen keuzevak of traject. Tegelijk is vorming van leerkrachten nodig die verder gaat dan leren werken met het volgende platform: hoe werken sociale media en AI, wat doen ze met aandacht en informatie, welke privacyvragen brengen ze mee, en welke pedagogische visie wil je daar als leerkracht tegenover zetten? Goed voorbeeldgedrag hoort daar evengoed bij.
Dat lijkt urgenter dan nog jaren discussiëren over de vraag of we voor of tegen technologie zijn. Onderwijsbeleid beweegt traag, technologische gewoonten niet. De kinderen die vandaag in de klas zitten wachten niet tot het debat is afgerond.
Demirs formulering mag weinig pedagogische finesse hebben. De vraag erachter verdient wel een beter antwoord dan ‘de digitale wereld komt eraan’. Die wereld is er al. Juist daarom hoeven scholen haar niet integraal te reproduceren.
Een onderwijsbeleid voor een digitale samenleving kan ambitieuzer zijn: toegang tot computers waar ze pedagogisch nodig zijn, sterke digitale en AI-geletterdheid, leraren die daarin zelf gevormd worden, kritisch toezicht op EdTech en leerlingendata, en de vrijheid voor een school of leraar om te bepalen wanneer het scherm dicht kan.
Misschien moeten we dus inderdaad af van buikgevoel. Maar dan ook van het buikgevoel dat een kind met een laptop automatisch beter voorbereid is op de toekomst.[8],[9]
Pieterjan Ginckels, professor Architectuur en Beeldgeletterdheid KU Leuven, en beeldend kunstenaar, KidsUnplugged
Bronnenlijst
[1]— Faria Sana, Tina Weston en Nicholas J. Cepeda, Laptop multitasking hinders classroom learning for both users and nearby peers, Computers & Education 62 (2013), 24-31, https://doi.org/10.1016/j.compedu.2012.10.003.
[2] Jared Cooney Horvath, ‘The EdTech Revolution Has Failed’, After Babel, 2024, https://www.afterbabel.com/p/the-edtech-revolution-has-failed. De secundaire pagina van Close Screens Open Minds bevestigt titel, auteur, jaar en oorspronkelijke publicatieplaats.
[3] UNESCO, Global Education Monitoring Report 2023: Technology in education: A tool on whose terms? (Paris: UNESCO, 2023), https://doi.org/10.54676/UZQV8501.
[4] OECD Directorate for Education and Skills, Students, digital devices and success (OECD, 2024), gebaseerd op PISA 2022, officiële OECD-publicatie. [oecd.org]
[5] Privacy First, Welkom in de (Cloud)klas, 17 november 2023, https://privacyfirst.nl/artikelen/welkom-in-de-cloudklas/.
[6] Kenniscentrum Digisprong, Contractuele vereisten informatieveiligheid en privacy voor EdTech, Vlaanderen.be, 19 maart 2026, https://www.vlaanderen.be/kenniscentrum-digisprong/nieuws/contractuele-vereisten-voor-educatieve-applicaties-gepubliceerd.
[7] Enrique-Javier Diez-Gutierrez, Educational Digital Sovereignty and EdTech Platform Capitalism: Rethinking Innovation, Data Governance and Artificial Intelligence in Public Education, Journal of Innovation 1, nr. 1 (2026): 5, https://doi.org/10.3390/joi1010005.
[8] Human Rights Watch,‘How Dare They Peep into My Private Life?’: Children’s Rights Violations by Governments that Endorsed Online Learning During the Covid-19 Pandemic, 25 mei 2022, volledig HRW-rapport. Het rapport bevestigt de 163 onderzochte producten en de 145 producten, 89%, waarbij volgens HRW rechten van kinderen in het gedrang kwamen. [hrw.org]
[9] UNESCO, Global Education Monitoring Report 2023: Technology in education: A tool on whose terms? Dit is bewust een verkorte herhaalverwijzing naar voetnoot 3. UNESCO bevestigt titel, jaar en institutioneel auteurschap van het rapport.